<body><script type="text/javascript"> function setAttributeOnload(object, attribute, val) { if(window.addEventListener) { window.addEventListener('load', function(){ object[attribute] = val; }, false); } else { window.attachEvent('onload', function(){ object[attribute] = val; }); } } </script> <div id="navbar-iframe-container"></div> <script type="text/javascript" src="https://apis.google.com/js/plusone.js"></script> <script type="text/javascript"> gapi.load("gapi.iframes:gapi.iframes.style.bubble", function() { if (gapi.iframes && gapi.iframes.getContext) { gapi.iframes.getContext().openChild({ url: 'https://www.blogger.com/navbar.g?targetBlogID\x3d29310713\x26blogName\x3dThe+pills+must+be+working.\x26publishMode\x3dPUBLISH_MODE_BLOGSPOT\x26navbarType\x3dBLUE\x26layoutType\x3dCLASSIC\x26searchRoot\x3dhttp://thepills.blogspot.com/search\x26blogLocale\x3dnl_BE\x26v\x3d2\x26homepageUrl\x3dhttp://thepills.blogspot.com/\x26vt\x3d1196960925609470726', where: document.getElementById("navbar-iframe-container"), id: "navbar-iframe" }); } }); </script>

Palmboomvuurwerk.

donderdag, augustus 31, 2006
We lagen samen op een zomerse avond naar de hemel te staren, wachtend op de eerste vuurpijlen die het meer samen met de wachtende massa zou verlichten. Als zestienjarig knulletje hield ik je stevig tegen me aangedrukt, bang als ik was dat je me snel zou verlaten. Zeven jaar later weten we wel beter, niet? Je had het koud, ook al had ik je op voorhand gewaarschuwd dat het snel afkoelt, daar bij het water. Stiekem grinnikte ik door de gedachte dat je misschien met opzet die trui thuis had gelaten zodat je je tegen me aan kon schurken. Een lichtflits schoot plots de lucht in en de daarop volgende knal bracht het aanwezige publiek al bij voorbaat in verroering: de mens is nu eenmaal een vreemd wezen dat emoties kan ervaren nog voor zijn zinnen daadwerkelijk geprikkeld worden. Wat na deze eerste plof volgde, blijf ik me herinneren als een van die – zij het wat melige – onbenulligheden die je om onverklaarbare reden doen beseffen hoe mooi je het wel hebt samen. Een orgie van palmboomvuurwerk vulde al snel de hemel met ‘oehs’ en ‘aahs’ uit de vele monden langs de waterkant. Eentje zweeg, de mijne. Ik was helemaal van de kaart door de gedachte dat iets ongelofelijks banaal als vuurwerk plots zo veel meer betekende door die meid met de zomerse sproetneus in mijn armen.

Op het reeds gekende beste internetforum ter wereld vertelde een dertiger onlangs het verhaal van zijn veel te vroeg gestorven vrouw. Ze leed aan een –is ziekte, bijzonder ernstig met andere woorden. Na enkele maanden van zware therapie was ze terug op de goede weg. Wanneer ze terug haar leven oppikte en zich samen met haar man waagde aan enkele keukenklusjes, staarde ze plots voor zich uit. Een oogwenk later lag ze op de grond, geveld door een hartstilstand. Ze stierf in de armen van haar man.
Het leven ging verder voor hem en hij vertelde op datzelfde forum hoe hij zijn vrouw voor eeuwig zal herinneren als dat meisje dat zichzelf stiekem stond te keuren voor de badkamerspiegel, kwaad wordend wanneer hij gniffelend de deur opende. Ik hou van dergelijke verhalen omdat ze zo verdomd herkenbaar zijn. Liefde herken je niet in een kleffe liefdesbrief of een overromantisch etentje samen. Liefde zie je in de manier waarop haar stem overslaat bij het zingen van discodeuntjes, liefde zie je in haar sokjes die ze’s avonds aantrekt wanneer het bed te koud is.

Liefde zit in palboomvuurwerk.

DDR RAM

maandag, augustus 28, 2006
Op vrijdagavond had ik een dermate goede film gezien (Miami Vice), dat ik terstond richting computer stormde om een laaiend enthousiaste blogpost neer te typen. Jammer genoeg geschiedde iets wat de laatste tijd nogal vaak geschiedt: de PC liet alweer het leven. En daar heb ik, hoe zou je zelf zijn, meer dan genoeg van.

Het is al een tijdje aan de gang. Een knarsend geluid komt uit de CD-dinges, een dinges die al enkele jaren niet meer functioneert. Daar kon ik op zich nog mee leven: de DVD-dinges nam eenvoudigweg alle taken op zich. Maar die laatste begint nu ook te sputteren, waardoor ik helemaal afhankelijk ben geworden van USB-poorten, maar die geeft ook de geest. Maar hey, zolang ik maar zonder zorgen Word, Opera en MSN kan gebruiken.

MSN functioneert, daar heb ik niet over te klagen als ik iemand zou zijn die geen zin heeft om een toetsenbord door een scherm te duwen wanneer alles vastloopt na vijf minuten. Word dan. Dat gaat nog lekker, behalve wanneer die DVD-dinges rare geluiden begint te maken en mijn scherm helemaal zwart wordt, met enkel nog een vreemde groene lijn bovenaan het scherm. De computertechneut in me zegt dat groene lijnen alles behalve gezond zijn. Het gevolg is dat Opera nu de enige software is die functioneert (de blauwe schermen des doods niet meegerekend).

Een nieuwe computer kost een aardige duit geld, heb ik gemerkt. Daarenboven heb ik ook helemaal geen benul van wat al die cijfertjes betekenen onder de computerprentjes. Dat is op zich wel opmerkelijk, aangezien ik overal de aanspreekbron ben voor potentiële kopers. Ik slaag er blijkbaar in om iedereen in de waan te houden dat ik expert ben in bits en bytes. “DDR RAM”, mompel ik dan goedkeurend starend in de verte als zoek ik naar de pot goud aan de voet van een regenboog.

Ik zoek dus een nieuw machientje dat me Word, Powerpoint, Internet en af en toe een filmpje kan geven. Maar aangezien ik een sucker voor design ben, neig ik naar de veel te dure iMac die ik me helemaal niet kan veroorloven. Maar die heeft een floating point van 27.1. Kijk daar, een pot goud!

Miami Vice.

zondag, augustus 27, 2006
Het was al een hele tijd geleden dat ik mezelf nog eens neerplofte in een cinemazetel. Vrijdagavond besloten we om naar de minst afstotelijke film te gaan kijken die momenteel gedraaid wordt in de lokale bioscoopzalen (zijnde Cinema Albert, Palace en Feestpaleis). Dat bleek Miami Vice te zijn, de verfilming van de televisieserie uit de jaren tachtig. Een serie die ik trouwens nooit gezien heb, ik weet enkel dat het iets was met snorren en snelle wagens. We zouden wel zien wat het wordt.

Een stel tieten en een Linkin Park-deuntje doorbreekt heel plots de reclameboodschappen. De film is warempel al begonnen en wat gaat het snel. Voor de kijker het goed beseft wordt een luxehoertje door haar pooier in elkaar geslagen. Een besnorde agent gaat er achteraan, samen met zijn zwarte partner. Onmiddellijk daarna: telefoon van een gek in een auto. Nou nou, dat gaat snel. Een Ferrari scheurt kort daarna door Miami. Camerabeelden die me doen denken aan de Bourne Supremacy. Wat later zitten we plots bij neonazi’s en Zuid-Amerikaanse drugdealers. Pauze.

Daar gaan we weer. Speedboten, vliegtuigen. Een geweldig goed in beeld gebracht vuurgevecht. Tussendoor bloeit er ook nog iets tussen de Snor en een Chinese boekhoudster van de drugdealers. Doden. Er ontploffen nog wat dingen en de film loopt naar zijn einde.

Het was al een hele tijd geleden dat ik mezelf nog eens voldaan opstond uit een cinemazetel. Miami Vice heeft me vanaf de eerste seconde kunnen bekoren door zichzelf te presenteren als een no-nonsence film waarbij karakterontwikkeling van secundair belang is. We kwamen voor een portie actie en hebben dat ook gekregen, zonder ooit over the top te gaan. Naar mijn bescheiden mening is deze film een verademing in het genre waar al te vaak het handje van de kijker wordt vastgehouden. Mann geeft ons enkel de informatie die nodig is om het verhaal te begrijpen. Alle andere gegevens moet de kijker zelf uit de beelden achterhalen: geen oeverloos gelul over motieven en een knagend geweten: wie niet aan boord raakt van deze snelle rit, heeft pech.

Miami Vice is een geweldige film die iedereen moet gezien hebben.

Schoonvader en Schoonmoeder.

maandag, augustus 21, 2006
Het is u waarschijnlijk (nu ja, een dergelijk grote massa aan lezers heb ik niet) opgevallen dat het de laatste tijd stil is op deze blog. Wees gerust, de pillen werken nog steeds, maar een gebrek aan tijd – en af en toe inspiratie, dat geef ik grif toe – is de grootste oorzaak voor het gebrek aan schrijfsels. Wat veroorzaakt toch dat tijdsgebrek, hoor ik u allen vragen. Het antwoord is een cafetaria van een sporthal, ergens in Vlaanderen.

Je vriend/in kan je zelf kiezen, maar je schoonouders niet. Ondanks dit feit dat zo vast staat als een vastende moslim in de ramadan, heb ik het best getroffen met die schoonouders van me. Schoonmoeder kookt als de beste en Schoonvader leert me hoe ik op een fatsoenlijke wijze een schroevendraaier kan hanteren. Met andere woorden, het botert goed tussen ons. Onlangs heeft er echter een grote verandering plaatsgevonden in het leven van Schoonmoeder, een verandering van een dergelijke omvang dat ook ik er door getroffen wordt. Na een jarenlange dienst in het plaatselijke grootwarenhuis, heeft ze ervoor gekozen om als zelfstandige de cafetaria van een sporthal, ergens in Vlaanderen, te openen. U raadt het al, ook ik werd de eerste dagen opgeroepen om ettelijke honderden glazen te spoelen.

Begrijp me vooral niet verkeerd, ik amuseer me rot. Vedett uitgieten, Rotzooi van de tafels vegen en bier tappen met een schuimrand van een duim dik… het bekoort me. Ingewijden weten dat het een stille droom van me is om later op gevorderde leeftijd zelf het lokale café te runnen, lachend met de scheldtirades van de plaatselijke kaarters die zonet een soloslim gemist hebben. Het tappen zit me daarenboven best in de vingers: met groot succes heb ik menig pint geserveerd, zonder wenkbrauwrijzende blikken van afkeer door de grote kraag. Wat me nog niet helemaal duidelijk is, is hoe ik in godsnaam een vat hoor te vervangen, maar daar is de McGuyver in Schoonvader voor.

Ik beloof plechtig om vaker voor een update te zorgen, maar vaak zal de plicht van Mort Subite en Carlsberg me roepen. De inspiratie kan echter enkel toenemen. Niet langer enkel besnorde Bulgaren dus, maar ook dronkenmanspraat van amateurzaalvoetballers. Spannend, niet? (niet echt)

Schaak.

dinsdag, augustus 15, 2006
Het is rustig in het transitcentrum. Door de brugdag en de feestdag van vandaag zijn er slechts enkele nieuwkomers. Gisteren nog een man uit Congo en een andere uit Kameroen, vandaag een vrouw uit het woelige Irak. Er is met andere woorden, weinig te beleven, zeker als je werkdagen van tien uur moet draaien. Wat doet een mens dan? Schaken, zo blijkt. Ik ontdekte in de kasten een bord dat nog in redelijke staat verkeerde en wat verder vond ik de nodige stukken. Toch nog een klein probleempje: een tegenstander.

Een homoseksuele Nigeriaan was de eerste die interesse toonde om een partijtje schaken te spelen. Misschien was hij meer geïnteresseerd in zijn tegenstander dan in het eigenlijke spel, maar daar dacht ik in mijn enthousiasme niet aan. Een ander probleem: de Nigeriaan wist helemaal niet hoe het spel in zijn werk ging. Een spoedcursus was dus noodzakelijk en dat ging vlotter dan verwacht. Na een goed halfuur rokeerde de man als een volleerd schaker en bedreigde hij al snel mijn koning met zijn loper.

Als voetbal de sport der koningen is, dan is schaken keizerlijk. Het is zo’n doodeenvoudig principe waar slechts enkele bewegingen per stuk mogelijk zijn en toch is het in zijn geheel zo rijk en vaak complex. Ik kan lyrisch kijken naar een wedstrijd tussen grote kampioenen en zelf minutenlang piekeren over een enkele zet (die me dan meestal in een nog slechtere positie brengt). Jammer genoeg zie ik geen enkele vordering in mijn eigen spel: ik trap nog steeds in dezelfde val om halsoverkop aan te vallen wanneer ik daar de kans toe zie in plaats van een stevige defensie op te bouwen. In de wandelgangen heb ik al vernomen dat er een collega net zo begeesterd is door het spelletje, maar net dat ietsje beter is. De persoon in kwestie leest hele wedstrijdverslagen zet voor zet na, zonder een bord voor zich te hebben. Daar gaan we ons vooralsnog niet mee bezighouden, tenzij er de komende weken geen Congolezen, Irakezen of Ecuadorianen meer arriveren. Maar die kans lijkt me onbestaande: politiek asiel blijft voor velen de eerste stap naar een vredevol bestaan waar je onbezorgd een rokade kan spelen op een zonnig terrasje, al dan niet in gezelschap van een homoseksuele Nigeriaan.

Het Pijpmondje.

donderdag, augustus 10, 2006
Ten huize van deze blogschrijver ligt er dagelijks dezelfde krant op de keukentafel: Het Laatste Nieuws. De term krant als verspreider van informatie is mijns inziens al enige tijd niet meer van toepassing op het meest gelezen dagblad van Vlaanderen. Een blad dat meer aandacht besteed aan de vechtscheiding van Paul McCartney en zijn eenbenige ex of de liefdesperikelen van prins Amadeo van Saxen-Coburg Gotha dan aan de blijvende golf van aanslagen in Irak, is die titel niet waardig. Voor u al te snel conclusies zou trekken, wens ik te vermelden dat deze onderwerpkeuze mij niet stoort: sommige mensen zijn nu eenmaal meer geïnteresseerd in het kleine nieuws. De Persgroep heeft daar heel goed het spreekwoordelijke gat in de markt opgevuld, tot spijt van zijn concurrenten.

Het wordt echter wel te gortig wanneer je de lezersbrieven openslaat. Dagelijks zie je er de meest negatieve, door-hun-gordijnen-de-overbuur-bespiedende Vlamingen de revue passeren. Als een neger de handtas van een oervlaamse, naar frietvet ruikende harde werker ontvreemd heeft, zijn ze er als de kippen bij om hun eigen negerervaringen te delen met gans Vlaanderen. “Een neger trachtte me een zakje olijven te verkopen op de markt. Wat een schande! De man was zelfs bereid om ze in een plastic zakje te doen, waarschijnlijk gevuld met anthrax! Ik heb dit onmiddellijk gemeld bij de bevoegde instanties, maar die zullen er alweer geen gevolg aan geven. Het gerecht is nu eenmaal liever bezig met het geld te stelen van hardwerkende Vlamingen die ocharme tien kilometer per uur te snel rijden!”

Wanneer blijkt dat de voorzitter van de Nationale Bank net dat tikkeltje meer verdient dan diezelfde Vlaamse werker, dan moet er altijd een gremelend kwezeltje vermelden hoe hij met moeite de eindjes aan elkaar kan knopen door zijn veel te lage pensioentje. Meestal is hun eega ook nog gebrekkig, dat spreekt voor zich. Dat kan allemaal best zo zijn, lieve lezer van het Laatste Nieuws, maar wij hebben daar geen boodschap aan. Het voedt enkel de maatschappelijke illusie dat elke bedrijfstop bestaat uit geldrovende, hardvochtige aasgieren met een monocle op hun puisterige neus.

Het meest storende aan de lezersrubriek is echter niet die ellendig lange stortvloed aan klachten van verzuurde Vlamingen. Het meest storende is dat fotootje van het Persgroepwicht dat de brieven selecteert. Ze lacht je toe met dat pijpmondje van haar, mensen in de waan houdend dat ze oprecht geïnteresseerd is in wat ze te vertellen hebben. ‘Ik begrijp jullie’, tracht ze met haar blik te vertellen. Ik zie haar echter als een zoveelste Anke Vandermeersch die de mensen de illusie geeft dat ze iets kan veranderen aan de ingebeelde malaise waarin heel Vlaanderen in vertoeft. ‘Het is allemaal de schuld van negers en joden en ik geef jullie de kans om dat te zeggen. Maak je geen zorgen, ik begrijp jullie. Wees vooral niet kritisch, mijn collega van de binnenlandredactie gooit alles wel in een flitsende oneliner.’

Trut.

De mannen van de nacht.

zaterdag, augustus 05, 2006
De avond, laat staan de nacht, is nog niet gevallen wanneer ik mijn Opel Corsa op de hobbelige parking op wandelafstand van de luchthaven parkeer. Als enige werknemer van het transitcentrum kan ik mijn wagen nog niet parkeren op het grondgebied van de luchthaven, maar daar komt hopelijk snel verandering in. Ik scan mezelf voorbij de wachtpost en arriveer een goede minuut later op de werkvloer voor mijn nachtelijke shift.

“Nog een goede vijf uur te gaan”. “Vijf uur, twaalf minuten om precies te zijn”, zegt mijn immer precieze collega Mark. Het is midden in de nacht en er valt weinig te beleven in het transitcentrum. Ook al tracht ik uiterlijk geen kenmerken van vermoeidheid te tonen, binnenin voel ik de slaap al knagen. Hoe ga ik dat in godsnaam vijf nachten lang volhouden? Je zit daar maar wat te zitten, wakend over de vijftig mensen die er momenteel verblijven. De meeste nachtshiften verlopen altijd zonder veel commotie, vertellen mijn ervaren collega’s. Het belang van de nacht is natuurlijk paraat zijn als er wel iets gebeurt, zoals een ontsnappingspoging. Ik blijf dus op mijn hoede, voor wat er ook kan gebeuren.

Om zeven uur ’s ochtends verlaat ik vermoeid het centrum. De terugkeer langs de autosnelweg gaat best vlot op dit uur. Ik betrap er mezelf wel op dat mijn reactiesnelheid is aangetast door lichte vermoeidheid. Maar een goede vijftig minuten later sta ik toch al aan de rand van mijn bed. Het licht valt al door het raam en de gordijnen naar binnen. Hoe ga ik in godsnaam de slaap vatten als de rest van Vlaanderen wakker wordt? Ik dommel in maar slaap niet al te vast, die eerste dag. Vijf uur en een weinig vaste slaap later ben ik alweer wakker. En nu? Wat doet een mens die om 13 uur opstaat? Ontbijten? Een middagmaal van spinazie verorberen? Mijn maag heeft nog het meest te lijden onder zo’n werkschema. Mijn allerliefste heeft voor de komende nacht een pastaschoteltje klaargemaakt. Daarom zie ik ze zo graag: waar ik niet aan denk, springt zij al gauw bij.

Het pastaschoteltje heeft gesmaakt, de volgende nacht om drie uur. Ik vind het al heel wat draaglijker om me wakker te houden. Meer zelfs, ik begin van de stilte van de nachtdienst te houden. Nog maar drie nachten te gaan achter deze, begin ik al te denken. Of hoe het woord ‘maar’ een heel nieuwe betekenis kan geven aan een voordien vervloekte zin.

Ik kan het niet.

donderdag, augustus 03, 2006
Ik kan het niet. Mijn geest en lichaam lijden nog na wanneer ik die vervloekte pen voor een zoveelste keer geërgerd opberg in mijn zwarte pennenzak met Zwawi-pin. Ik kan het niet. Elk woord dat ik uit die inkt tracht te persen lijkt me uit te lachen en mijn onmacht te honen. Ik stel mezelf gerust door te denken ik nog drie jaar de tijd heb, maar ik weet dat deze nabije toekomst niet eindeloos is. Maar ik moet het halen, dat heb ik mezelf opgelegd. En ik heb het Annelies Verbeke beloofd, ook al kent ze me niet. Maar de doordringende ogen op de kaft van Slaap! doen me steeds weer herinneren aan die dag dat ik mezelf de belofte maakte om ook een boek te schrijven. Niet zomaar een romannetje dat verkocht wordt naast doosjes afgeprijsde kauwgom op de toonbank van een dagbladhandelaar, neen, een volwaardig werk dat een plaatsje krijgt op de schaft van gereputeerde boekenwinkels. Met de kaft naar de kooplustigen gericht: mijn boek mag gezien worden.

Maar ik kan het niet. Maanden, misschien zelfs een jaar, zijn al verstreken sinds die vervloekte belofte. Ik heb sindsdien amper één bladzijde neergepend uit die Bic van me. “Vader is dood”, zo luid de eerste zin. “Ik dacht dat je dat wel wou weten”, klinkt de tweede. Maar daar gaat het al fout. Dat bekt helemaal niet. Een potentiële lezer legt het boek weer op het rek, niet eens op zijn plaats. Het wordt op de stapel van de afgewezenen gelegd. Hoe moet ik deze klus in godsnaam klaren? Ik word gek bij de gedachte aan wat er zal komen te staan op die nu nog witte bladzijden. Het verhaal put me nu al uit, wetende wat er verderop hoort te gebeuren. Een Festeniaans weerzien op de begrafenis. Diepe wonden die weer bloeden. De herinnering aan het einde van de liefde. Hoe doen ze het toch, de Claussen en Hemmerechtsen van deze wereld? Dagelijks worstelen met de gevoelens van je karakters, hen bewust naar een vaak noodlottig einde leidend?

Ik kan het niet. “Je schrijft best goed, Andries. Ik vind dat mooi hoe je op een half uurtje zo’n blogstukje geschreven krijgt.” Dank je, allerliefste. Maar ik zie deze blog vaak als een wrede spiegel die me telkens weer bevestigt dat ik wel probeer, maar ook hopeloos faal. Ik zie hoe ik woorden aan elkaar raag tot iets banaals in plaats van heroïsch of dramatisch. Ik zie hoe mijn inspiratie zich steeds dieper verschuilt in mijn hersenen. Ik zie hoe ik hopeloos mooie woorden zoek die hoogstens als puberale nonsens worden gezien. Ach.

Ik kan het niet.